Een kind dat een behandelkamer binnenkomt, verliest iets wat voor hem of haar fundamenteel is: de controle over wat er met het eigen lichaam gebeurt. Iemand anders bepaalt wat er gedaan wordt, wanneer en hoe. Dat verlies van controle is op zichzelf al een stressor, los van wat de behandeling vraagt. Uit onderzoek blijkt dat kinderen die geen grip of gevoel van controle hebben op de situatie aanzienlijk meer procedurele angst en distress vertonen dan kinderen die op enige manier controle kunnen ervaren (Lerwick, 2016).
Regie is daarmee geen extra laag bovenop de behandeling. Het is onderdeel van de behandeling zelf.
Kleine keuzes geven het kind grip terug
Regie geven begint niet bij grote beslissingen, maar bij kleine ankerpunten. Mag het kind zelf kiezen welke arm? Wil het kijken of liever wegkijken? Wil het zelf het moment aangeven waarop je begint? Kinderen vanaf ongeveer vier jaar hebben baat bij uitleg over wat ze kunnen verwachten: de stappen van een procedure, wat ze misschien zullen voelen, en realistische keuzes rondom de handeling (Stinson et al., 2008). Daarbij is de woordkeuze enorm belangrijk. Woorden als “prik” en “naald” verhogen aantoonbaar angst en pijn, terwijl helpende taal de aandacht verlegt naar wat het kind zelf doet: “je arm ligt mooi stil, zo kan ik goed werken.” Over hoe je dat in de praktijk toepast, schreven we eerder: De kracht van positieve woorden voor- en tijdens een behandeling.
Alleen al een afspraak dat een kind zelf mag aangeven wanneer er (even) gestopt moet worden en wanneer er weer verder gegaan kan worden, maakt dat het kind regie ervaart. Dat gevoel van grip en regie is op zo’n moment sterker aanwezig dan de angst.
Voorbereiding als onderdeel van de behandeling
Eerlijke, op het kind afgestemde voorbereiding geeft meer gevoel van controle en vermindert de kans op een belastende ervaring. Adviseer ouders om uitspraken als “dit doet geen pijn” of “het is al voorbij” te vermijden. Het einde van een procedure kan niet altijd worden voorspeld, en de belofte maakt het moment van tegenvallen groter. Eerlijkheid, afgestemd op wat een kind aankan, bouwt meer vertrouwen op dan het weghouden van informatie (Stinson et al., 2008).
Dwang en wat het doet
Kinderen met negatieve procedurele ervaringen hebben een verhoogd risico op angst en stress bij volgende behandelingen (Bray et al., 2015). Dwang versterkt dat effect. Het neemt het kind zijn zelfredzaamheid af en legt een basis voor wantrouwen bij latere contacten met de zorg.
Zorgprofessionals die tot fixatie zijn overgegaan, beschrijven dat achteraf als een moment van mislukken, ook al was er geen andere uitweg zichtbaar. Dat gevoel klopt: onderzoek bevestigt dat het kind de relatie met de zorgverlener beschadigt en toekomstige procedures bemoeilijkt (Schalkers et al., 2016).
Regie begint al voordat de behandeling start
De ruimte waarin een kind wacht of wordt ontvangen, speelt een rol voordat er ook maar iets is gedaan. Een kind leest de omgeving nog voor er iemand iets zegt: toon, verlichting, onbekende apparatuur. Op basis van die signalen besluit het zenuwstelsel of de situatie veilig is. Een omgeving die uitnodigt tot kijken en ontdekken, geeft een kind iets om naartoe te gaan met zijn aandacht. Het kind kiest zelf wat het interessant vindt, wat het wil bekijken, waarheen het kijkt.
Bronnen
Lerwick, J.L. (2016). Minimizing pediatric healthcare-induced anxiety and trauma. World Journal of Clinical Pediatrics, 5(2), 143-150. https://doi.org/10.5409/wjcp.v5.i2.143
Stinson, J. et al. (2008). Managing pain and distress in children undergoing brief diagnostic and therapeutic procedures. Paediatrics & Child Health, 13(2).
Bray, L., Snodin, J. & Carter, B. (2015). Holding and restraining children for clinical procedures within an acute care setting: an ethical consideration of the evidence. Nursing Inquiry, 22(2), 157-167.
Schalkers, I. et al. (2016). Health professionals’ perspectives on children’s and young people’s participation in health care: a qualitative multihospital study. Journal of Clinical Nursing, 25, 1035-1044.

