Traplopen is een van die oefeningen die tijdens therapie en revalidatie steeds weer terugkomt. Voor revaliderende kinderen is traplopen vaak zwaar, saai en kunnen ze er als een berg tegenop zien.
Logisch én tegelijk is traplopen wel heel functioneel en noodzakelijk!
Om traplopen te oefenen is een kind vooral aan het herhalen, opnieuw proberen en nog een keer herhalen.
Zeker als het dan even niet lukt, kan dat heel frustrerend zijn en zakt de motivatie weg.
Het oefenen wordt iets wat moet.
De Belevenistrap is ontwikkeld vanuit die observatie: (opnieuw)leren traplopen is saai. Het mag leuker!
Het is een activatie tool waarmee guided play en het verleggen van de aandacht ondersteund wordt.
Oefenen door uitgedaagd te worden
Het uitgangspunt van de Belevenistrap is simpel:
Als oefenen leuker wordt, willen kinderen het vaker doen. En als ze het vaker willen doen, gaat oefenen en leren effectiever.
Door speelse uitdagingen toe te voegen aan de trap verandert de ervaring.
Het blijft dezelfde beweging, dezelfde therapeutische oefening, maar de context is anders.
Kinderen worden uitgenodigd om:
- muntjes te verzamelen
- een vogeltje te volgen
- net één stap verder te gaan dan de vorige keer
Omdat ze willen ontdekken wat er gebeurt als ze nog een stapje zetten.
Die afwisseling maakt dat oefenen minder voelt als herhaling en oefenen
en meer als iets waar je actief voor kiest.
Ondersteuning, geen vervanging van therapie
De Belevenistrap is altijd bedoeld als ondersteuning van therapie, nooit als vervanging.
De zorgprofessional blijft het doel bepalen van de oefening, de veiligheid bewaken en stemt het tempo en niveau van de oefeningen af op het kind.
De trap voegt daar iets aan toe: motivatie.
De spelelementen geven net dat zetje waardoor een kind bereid is om opnieuw te proberen.
Het spel motiveert, de professional biedt structuur en vertrouwen.
Spellen én belevenissen
De Belevenistrap biedt ruimte voor verschillende vormen van gebruik.
Enerzijds zijn er therapeutische spellen, gericht op specifieke doelen:
oefenen met traplopen, spierkracht, balans of coördinatie.
Anderzijds zijn er belevenissen, bedoeld om kinderen te motiveren om de trap te nemen
en het geoefende toe te passen in een vrije setting.
Een voorbeeld is de muziek- of regenboogtrap:
bij elke trede ontstaat geluid of kleur.
Een kind kan vooruit, terug, een trede overslaan en ontdekken wat er verandert en zo zelf muziek maken en een kleurenspel creëren.
Of een rustige onderwaterwereld, waarin vissen tussen het zeewier bewegen.
Geen opdracht, geen score. Gewoon kijken en ervaren.
Beide vormen hebben hun eigen waarde, afhankelijk van het moment en het kind.
Afgestemd op kind én aanpak
Geen twee kinderen zijn hetzelfde. Het ene kind heeft behoefte aan prikkels en uitdaging, het andere kind oefent beter in rust.
Ook de hulpvraag verschilt:
- opnieuw leren traplopen
- traplopen voor het eerst aanleren
- spierkracht of uithoudingsvermogen trainen
Daarnaast spelen cognitief niveau en prikkelgevoeligheid een grote rol. Kan een kind licht en geluid goed verwerken, of juist niet?
Is activatie wenselijk, of juist kalmering?
Daarom worden de spellen en belevenissen gekozen door de zorgprofessional op basis van:
- het niveau van het kind
- (over)prikkel profiel van het kind
- de therapeutische doelen
- de werkwijze van de organisatie
Zo ontstaat een trap die past bij de kinderen die er gebruik van maken en bij de professionals die ermee werken.
Oefenen wordt een keuze
Wat we in de praktijk zien, is dat motivatie het verschil maakt.
Wanneer een kind wordt uitgedaagd op zijn of haar niveau en de oefening speels wordt aangeboden, ontstaat er ruimte voor autonomie.
Het kind kiest zelf om te bewegen.
En juist dát maakt oefenen leuker, lichter en vaak effectiever. Traplopen blijft een herhaalde beweging. Maar het voelt niet meer als “weer hetzelfde”.
En dat is precies waar de Belevenistrap voor bedoeld is.


