Waarom op schoot zitten en een hand vasthouden werkt!

Bij een medische handeling gebeuren vaak twee reacties tegelijk: een lichamelijke prikkel én een stressreactie.

Voor een kind voelt dat als één gebeurtenis. Het brein koppelt spanning, dreiging en lichamelijke sensatie direct aan elkaar. De vraag is dus niet alleen: hoe beperken we pijn?

De vraag is: hoe ondersteunen we het zenuwstelsel?

Op schoot zitten bij een ouder of verzorger, of een hand vasthouden, is daarin geen symbolisch gebaar maar een neurobiologische interventie.

Co-regulatie is biologie

Co-regulatie betekent dat het zenuwstelsel van een kind tijdelijk leunt op dat van een volwassene. Jonge kinderen kunnen hun stressreactie nog niet zelfstandig reguleren. Hun brein is daar simpelweg nog niet rijp voor.

De Amerikaanse onderzoeker James A. Coan liet in een bekend fMRI-onderzoek zien dat sociale nabijheid de dreigingsreactie in het brein aantoonbaar verlaagt.

In het onderzoek Lending a Hand (2006) kregen volwassenen de dreiging van een elektrische schok terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten.

Wanneer zij de hand vasthielden van iemand die zij vertrouwden, nam de activiteit in hersengebieden die betrokken zijn bij angst en dreiging significant af.

Hoe veiliger de relatie, hoe sterker het effect.

Dit onderzoek vormt een belangrijke basis voor wat Coan later beschreef als de Social Baseline Theory (2014): ons brein is ontworpen met sociale nabijheid als uitgangspunt. Alleen zijn kost meer energie en samen reguleren is efficiënter.

Wat gebeurt er bij een kind tijdens bijvoorbeeld een bloedafname?

Een kind dat spanning ervaart, bijvoorbeeld omdat het bang is voor wat er komen gaat, maakt stresshormonen aan. Direct gaat het lichaam aan de slag om zichzelf klaar te maken om te vechten, vluchten of te verstijven om zichzelf uit die onveilige situatie te halen.

Een reeks van reacties in het lichaam zijn het gevolg, onder andere: snellere hartslag, spieren spannen aan, de ademhaling versnelt, bloedvaten vernauwen en ook extra glucose (brandstof) wordt aangemaakt.

Dit kan ervoor zorgen dat een kind hyperalert wordt, minder goed kan nadenken en meer pijnprikkels binnenkomen. Kortom het kind voelt zich niet fijn en de kans dat de behandeling of het onderzoek als positief ervaren wordt neemt af.

Een kind dat alleen op een onderzoeksbank ligt, heeft geen hulp via co-regulatie. Op schoot bij een ouder zitten heeft de voorkeur. Als liggen op de behandelbank noodzakelijk is voor de behandeling of het onderzoek, is het vasthouden van een hand ook een toegevoegde waarde.

Schootcontact, hand vasthouden of een arm om het lichaam, geeft het brein signalen van veiligheid. Die signalen dempen de dreigingsrespons waardoor de aanmaak van stresshormonen stopt. Hierdoor kan een kind beter nadenken en meewerken waardoor een positievere herinnering aan de handeling ontstaat.

Een kind op schoot laten zitten of een handje laten geven is dus geen “troosten achteraf” maar echt co-regulatie vóór en tijdens de handeling.

Bronnen:

Coan, J.A., Schaefer, H.S., & Davidson, R.J. (2006). Lending a Hand: Social regulation of the neural response to threat. Psychological Science.
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17201784 

Coan, J. A., & Sbarra, D. A. (2014). Social Baseline Theory: The Social Regulation of Risk and Effort.
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC4375548/

NB De onderzoeken gebruikt voor dit artikel, zijn uitgevoerd bij volwassenen.